Ik weet niet hoe ik hier terecht ben gekomen, maar als één van een drieling bevind ik mij in een doosje en ik kan door een venstertje een beetje naar buiten kijken.

Ik kijk rond in een woonkamer en zie dat ik op een dressoir sta naast een grote rare tas.

Ik denk dat ik tot een drieling behoor, want die twee naast me lijken veel op mij, al hoop ik niet dat ik ook zoveel deukjes in mijn gezicht heb.

We worden uit het doosje gehaald en met een dikke stift worden we allemaal voorzien van een rode smiley. Het nut snap ik er niet van maar we zijn er wel knapper op geworden.

We worden weer in het doosje gestopt waarna we in die grote tas verdwijnen en de volgende twee uren is het erg donker en hobbelen we alle kanten op.

 

Er gaat een rits open en er valt wat licht in de donkere tas. We worden uit de tas gehaald en het doosje gaat open. Mijn twee broertjes gaan in een broekzak en ik word meegenomen naar een mooie groene weide. Daar word ik op een stokje geplaatst, maar ik heb moeite met mijn evenwicht te bewaren en val in het zachte, kort gemaaide gras. Een witte handschoen raapt mij op en legt mij weer op dat dunne stokje. Dit keer goed voorbereid probeer ik uit alle macht te blijven liggen, wat mij wonderbaarlijk goed lukt.

Er komt een raar voorwerp naast me staan, dat zegt "Ik ben Driver en wie ben jij?" Voordat ik antwoord kan geven verdwijnt Driver en zie hem met een reuze snelheid op me afkomen. Met een enorme dreun vlieg ik van het stokje af en vlieg al tollend door de lucht. Wonderbaarlijk heb ik geen last van hoogtevrees en land zachtjes op het gras. Ik rol nog een beetje door en kom tot stilstand op heel kort gemaaid gras.

Weer komt er een raar voorwerp naast me staan en zegt "Hoi, ik ben Putter, wie ben jij?" Langzamer dan Driver verdwijnt hij ook en komt ook zachtjes weer terug. Rollend en stuiterend ga ik behoedzaam over het korte gras richting een stok die daar staat. Daar wil ik niet tegen aankomen, dus uit alle macht probeer ik deze te ontwijken, wat me op echt het allerlaatste moment ook lukt. Pffff.

Weer komt Putter naast me staan en geeft me weer een duwtje. Nog zachter dan de vorige keer, maar ik kan niet voorkomen dat ik toch tegen het stokje aankom en val in een diep gat, met mijn ene wang klem tegen het sokje en mijn andere wang klem tegen een plastic wand en hoor ik iemand zeggen “mooie par”.

Ik word uit het gat gehaald en verdwijn in de broekzak bij mijn broertjes.

Nog voordat ik ben bijgekomen van deze ervaring is mijn broertje aan de beurt. Aan de geluiden die ik hoor heb ik het vermoeden, dat hem hetzelfde is overkomen als mij en dat hij kennis heeft gemaakt met Driver of een van zijn andere vrienden.

We zijn in beweging merk ik en na enkele minuten hoor ik mijn broertje roepen “hier lig ik, onder de bladeren” maar we lopen stug nog ca. 20 meter verder. Ik hoor gemopper…. "Hier zou hij toch moeten liggen"; maar ver weg achter ons hoor ik nog steeds mijn broertje roepen. Verstopt onder een bladerdek. Ik hoor ze zeggen. Ik geef het op. Ik drop wel een nieuwe. Geen idee wat dat inhoudt, maar ik heb het vermoeden dat ik mijn broertje niet meer terug zal zien.

Ik word tevoorschijn gehaald en in het gras gegooid. Ver weg zie ik weer die stok staan, daar zal ik wel weer heen moeten. Dit keer verschijn niet Driver, maar een glimmend metalen plaat. “Hi, ik ben the Iron man”. Ook deze verdwijnt weer heel even om me met een noodgang een dreun te verkopen. Bij vertrek zie ik nog net dat de smiley een afdruk heeft achtergelaten op die metalen plaat. Precies in het midden.

Na een heerlijke vlucht over wat bomen zie ik het kort gemaaide gras weer met daar op de stok met het gaatje. Wetend wat me te wachten staat, laat ik me lekker uitrollen richting de stok. Hoe eerder ik daar ben hoe eerder ik weer in de warme broekzak mag.
Ze zijn blijkbaar erg blij met me want ik word met een zachte doek schoongemaakt en verdwijn weer voor heel even in de pocket.

Hetzelfde ritueel herhaalt zich een paar keer en ik geniet van iedere vlucht met alle vergezichten. Soms ga ik zo hoog dat ik zelfs de zee kan zien. De landing is soms wat minder en zit ik tot aan mijn huig toe in de blubber. Dan word ik opgepakt en schoongemaakt met een zachte doek en weer zachtjes op het gras neergelegd.

Dan zie ik tijdens een van mijn balvluchten dat ik niet op het gras terecht ga komen, maar het lijkt wel op en strandje. Dat is lekker met dit mooie weer. Ik had zonnebrand moeten meenemen en een handdoekje en en en plof.. tot aan mijn kruin ondergedompeld in het zand. Het zit op plekken waar je echt geen zand wil hebben. Ik kan bijna niet ademhalen.

Ik zie helemaal niks en hoor alleen maar voetstappen om mij heen en wat gemopper en geschuifel. Ik hoor weer het geluid aankomen van zo’n ijzeren ding en voordat ik het weet vlieg ik samen met het halve strand door de lucht. In de verte zie ik het stokje weer staan. Een vertrouwd gezicht ondertussen en ren alvast in de goede richting, maar het gaat zwaar. Zand kleeft nog aan mijn lichaam en ik moet heuvel op. Hij lijkt hier wel de Ardennen. Langzaam verlies ik grip en begin een bochtje te maken en rol weer terug een heel stuk in de richting van waar ik vandaan kwam en komt tot stilstand op een paar meter van het stokje.

Ik word beloond met een goede poetsbeurt en weer zachtjes teruggelegd op het korte gras. Een genuanceerd duwtje van de Putter doet mijn weer in het gaatje verdwijnen.

Weer gaat het een hele tijd goed en weet Driver en Iron man, daar zijn er meerdere van, mij keurig op het gemaaide gras te krijgen. De ene keer een hoge vlucht, de andere keer een verre. Soms met een kleine detour via een bos. Af en toe kijk ik nog om me heen of ik mijn broertje nog ergens zie of hoor, maar al die bossen, struiken en bladeren lijken op elkaar.

De laatste hole, hoor ik ze zeggen. Geen idee. Ik zie wel wat er gebeurt. Driver komt weer achter me staan. Hij zal wat moe zijn want hij staat daar een beetje onrustig achter mij. Nog sneller en wilder gaat hij weg en nog sneller en wilder komt hij terug. Ik word een beetje in mijn zij geraakt en in plaats van rechtuit te spinnen begin ik nu ook zijdelings te spinnen. In het begin weet ik nog recht uit te gaan, maar eenmaal boven de bomen krijgt de zijdelingse spin en de zijwind grip op mij en begin ik langzaamaan een bocht.

Als een vliegtuig in de wachtkamer boven Schiphol verdwijn ik steeds verder van de landingsbaan. Als een magneet word ik aangetrokken door een mooi vennetje.

Het water komt steeds dichterbij; dat worden natte voeten, denk ik nog. Ik zal vast zo wel gered worden. Net als die Boeing in de Hudson. Ik neem een grote teug lucht.

Niets is minder waar. Met het drijfvermogen van een baksteen zink ik naar de bodem en zak zachtjes weg in de blubber. Mijn adem nog steeds inhoudend. Ze komen me zo redden denk ik nog.

Het duurt wel lang. Bedoelden ze dit nu met de laatste hole. Langzaam wordt het donker voor mijn ogen. Ik zal het nooit weten.